Frits (de Zwerver) Slomp

Slomp werd in 1898 in Ruinerwold geboren als zoon van de landbouwers Jan Slomp en Grietje Zantinge. Hij studeerde theologie in Kampen. In 1927 begon hij zijn loopbaan als gereformeerd predikant in Nieuwlande. In 1930 werd hij predikant te Heemse bij Hardenberg. Deze plaats ligt dicht aan de Duitse grens zodat hij via Duitse kerkgangers alsmede door eigen onderzoek al spoedig de gevaren van het Duitse nazisme besefte en zich daartegen ging verzetten. Zo hielp hij Joodse vluchtelingen die eind jaren dertig Duitsland waren ontvlucht.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog trok hij vanaf de kansel en op illegale bijeenkomsten van de Anti-Revolutionaire Partij en het Christelijk Nationaal Vakverbond fel van leer tegen de Duitsers bezetter. Als gevolg daarvan moest hij in juli 1942 onderduiken. Tijdens zijn onderduikperiode leerde hij Helena Kuipers-Rietberg (Tante Riek) kennen op wier aandrang hij eind 1942 begin 1943 de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (afgekort L.O.) oprichtte.

In 1944 werd hij toevalligerwijs opgepakt maar niet herkend. De Landelijke Knokploegen (LKP), met een belangrijke rol voor de Enschedese bakker en leider van KP Twente Johannes ter Horst, wisten hem echter door een overval op de Koepelgevangenis in Arnhem te bevrijden. Met zijn gezin ondergedoken wist Slomp veilig het einde van de oorlog te bereiken.

Aan het einde van en tijdens de eerste maanden na afloop van de oorlog was hij belast met openbare orde-taken. Hij legde zich later ook toe op pastorale zorg aan personen die met de Duitsers hadden geheuld; dit wierp zijn vruchten af want het had tot gevolg dat een aantal voormalige NSB'ers en een SS'er tot inkeer kwamen en bij hem geloofsbelijdenis deden.

In de herfst van 1945 aanvaardde hij het predikantschap in Blokker (N-H). Vervolgens vertrok hij in 1948 naar het toenmalige Nederlands-Indië en maakte zodoende de tweede politionele actie mee. In 1949 liep de jeep waarin hij zat op een landmijn; weliswaar raakte hij niet zwaargewond maar hij hield er wel een blijvend slecht gehoor aan over.

In 1950 kwam hij terug naar Hoorn; vanwege evangelisatie onder mensen uit de lagere inkomensgroepen kwam hij in conflict met de kerkeraad en ging hij in 1962 daarom voortijdig met emeritaat. In de plaats Wolvega zette hij echter tot 1966 dit soort evangelisatie-acties voort. Vervolgens verhuisde hij naar Vaassen. In 1972 werd bij hem kanker geconstateerd waar hij uiteindelijk in 1978, op ruim tachtigjarige leeftijd, overleed.